Vaak voer ik gesprekken met jou
in mijn hoofd. Dan beweeg ik mijn lippen zelfs mee met de dialoog. Drukken mijn
ogen uit wat er dan gezegd wordt. Soms huil ik zelfs. Die gesprekken zijn
belachelijk. In het begin vatten ze de essentie van ons probleem samen. Nu ja,
ons probleem… Mijn probleem. In het begin vertel ik wat er scheelt, en luister
jij. En huil ik. En haat ik mezelf ervoor dat ik huil. En vertel jij me dat dat
allemaal niet erg is, terwijl je over mijn schouder wrijft.
Ik vertel je hoe ik me voel, voor
de zoveelste keer. Ik vertel je hoe ik aan je denk, elke dag maar weer, en hoe
zwaar ’t gemis op me weegt eens gordijnen niet meer nodig zijn om daglicht te
verhullen. Vertel ik je dat ik weet dat jij je niet zo voelt. Dat jij niet
staat te springen om mij te zien, althans niet zoals ik ernaar verlang. Dat jij
niet aan me denkt. Laat staan een warm gevoel krijgt als je iets ziet dat je alsnog
aan me doet denken. Dan vertel ik je hoeveel pijn dat doet, en hoe ik dacht: nee,
maakt niet uit, dit is beter dan niets. Ik zie je nog, toch? En ik kan toch nog
bij je zijn? Dat is genoeg. Meer moet ik niet hebben.
Nee. Da’s niet waar. Dat zou ik
dan zeggen, terwijl ik wanhopig mijn gespannen adem onder controle probeer te
krijgen. Ik zou naar je opkijken en zeggen: ik wil alles, godverdomme. Ik wil
dat jij me graag ziet – niet dat je me gewoon wel leuk vindt. Ik wil dat je het
liefst van al bij mij wil zijn – niet dat je het niet erg vindt om in mijn
gezelschap te vertoeven. Ik wil alles. Ik wil het allemaal. Ik wil het zijn met
jou. Dát. Ik wil alles zijn met jou.
In mijn hoofd eindigen de
gesprekken altijd positief. In mijn hoofd besef je plots hoe de aanblik van
mijn gezicht je helemaal warm maakt vanbinnen. Besef je dat je op het punt
staat de grootste fout van je leven te maken. Besef je dat ik het ben. Die
persoon. Die je wil. Ik ben het! Ik ben alles! Wees alles met me!
Gisteren niet. Gisteren zei je,
ook in mijn hoofd, wat je echt hebt gezegd. Wat je echt denkt. Wat je echt wil –
of net niet wil. Ik ben het niet. Er is niets. Wij zijn niets. Gisteren dwong
ik mezelf tot de confrontatie met de werkelijkheid en vluchtte ik niet weg in
een perfecte illusie, een droombeeld dat sinds november niet weg te slaan was
uit mijn gedachten. Het idee dat wanneer ik ’s nachts mijn rechteroor op mijn
kussen liet vallen, het eigenlijk de holte tussen jouw borstkas en jouw arm was.
Een prachtige hallucinatie die ik niet weg kreeg. Tot nu.
Dit is niet genoeg. Bij jou zijn
is niet genoeg. Jou nog zien is niet genoeg. Ik wil alles. Jij wil niets. En dus
is dat vanaf nu ook wat ik tegen je zeg, met je doe, over je denk, over je
schrijf, over je huil.
Niets.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten